Je kent het vast wel; een straatmuzikant die zo slecht speelt dat je hem liever geld geeft om te stoppen met spelen, dan om door te gaan. Een beloning om iets juist niet te doen. Lopend langs de panfluitende muzikanten in de straten van Quito moet de president van Ecuador gedacht hebben dat zoiets ook op grote schaal kan.
Vier jaar geleden deed Rafael Correa, de president van Ecuador, namelijk een voorstel aan de rest van de wereld.
Onder het Yasuni National Park in zijn land ligt een groot olieveld. Goed voor zo’n 900 miljoen vaten olie, met een totale waarde van $7.2 biljoen. In plaats van starten met boren naar dit olieveld, stelt de president voor de olie te laten zitten waar het zit. En daarmee een van de meest biodiverse regenwouden in de wereld intact te laten. Prijzenswaardig initiatief. Maar voor niets gaat de zon op, vindt Correa. Hij heeft een opmerkelijk idee. Wanneer de rest van de wereld de helft van de waarde van het olieveld betaald aan Ecuador(zo’n $350 miljoen per jaar in 10 jaar tijd) dan blijft de olie in de grond en het regenwoud intact. Zo niet, dan is er geen deal en start de exploitatie van de bron.
In 2010 wordt onder toezicht van de United Nations Development Group het Ecuador Yasuni ITT Trust Fonds opgericht, om het geld te beheren van iedereen die wil doneren om olieboringen in het natuurgebied te voorkomen. De deadline is 30 december 2011. Wanneer het fonds voor die tijd $100 miljoen bij elkaar heeft dan zou de deal rond zijn.
Op de eerste dag van het nieuwe jaar komt er een persbericht uit Ecuador. Het land heeft $116 miljoen binnengehaald voor het Yasuni project. Minder dan de $350 miljoen die de president in 2007 voorstelde, maar genoeg om – voorlopig – niet te starten met de exploitatie van het olieveld. Hoewel het bedrag niet opweegt tegen de inkomsten uit het aanboren van het olieveld, is het experiment van de president geslaagd.
Er zijn natuurlijk wel kanttekeningen te plaatsen bij de waarde van dit experiment. Als je kijkt waar het geld vandaan komt, zoals Felix Salmon van Persbureau Reuters uitzocht, is het bijvoorbeeld wat minder indrukwekkend dan het lijkt. $51 miljoen komt van Silvio Berlusconi, die het aftrekt van de schuld die Ecuador heeft uitstaan bij Italië. Nog eens $40 miljoen is gedoneerd door Correa zelf, ‘gewonnen’ in een rechtszaak tegen oppositie krant El Universo. De kleine beetjes komen verder onder anderen van Spanje ($1.4 miljoen), Australië ($500.000), Turkije ($10.000) of filmsterren als Leonardo DiCaprio. Daarnaast staat de overheid van Ecuador nu niet echt bekend als de meest betrouwbare. De vraag is of lokale bewoners profiteren van het fonds, voor hoe lang er niet geboord gaat worden, en of grote oliemaatschappijen er überhaupt wel willen boren. Maar interessant is het voorstel wel.
Wat dit experiment laat zien, is dat de beslissing om niet naar olie te boren financiële waarde heeft. Waarschijnlijk niet dezelfde waarde als het exploiteren van het olieveld, maar Ecuador toont aan dat er overheden, instituties en particulieren zijn die voor een dergelijk voorstel willen betalen. En dat terwijl Ecuador zelf niets hoeft te doen. Het olieveld blijft waar het is, Ecuador kan het altijd nog exploiteren. Die waarde blijft bestaan. Zeker met de olieschaarste in de wereld in het achterhoofd. Felix Salmon weet dit mooi te verwoorden: ‘Oilfields, eventually, run out of oil. But untapped oilfields never do. (…) Ecuador has done something important here.’
Dat zelfs in een instabiel land als Ecuador (het land heeft tussen 1998 en 2008 zeven presidenten en twee grondwetten versleten) een dergelijk voorstel kan slagen is opvallend. Dat publieke en private donoren ingaan op zo’n bizar voorstel geeft aan dat er blijkbaar markt voor is. Wellicht brengt Ecuador met dit experiment een revolutie in het behoud van waardevolle natuurgebieden teweeg. Voorstanders zien er een nieuwe manier in waarop de wereld betaald voor het beschermen van waardevolle (natuur)gebieden. En landen als Nigeria, Kameroen en Gabon verkennen al de mogelijkheden om vergelijkbare fondsen op te richten, zo meldt de Guardian. Wordt vervolgt.






